‘En een vrouw, die een kindje aan haar boezem drukte,
zei tot Almoestafa, de uitverkorene en geliefde:
Spreek tot ons over kinderen.
En hij zeide:
Je kinderen zijn je kinderen niet.
Zij zijn de zonen en dochters van ’s levens hunkering naar zichzelf
Zij komen door je, maar zijn niet van je,
en hoewel ze bij je zijn, behoren ze je niet toe. Jij moogt hun geven van je liefde,
maar niet van je gedachten,
want zij hebben hun eigen gedachten.
Jij moogt hun lichamen huisvesten, maar niet hun zielen,
want hun zielen toeven in het huis van morgen,
dat je niet bezoeken kunt – zelfs niet in je dromen.
Je moogt proberen hun gelijke te worden,
maar tracht hen niet aan je gelijk te maken.
Want het leven gaat niet terug,
noch blijft het dralen bij gisteren.
Jullie zijn de bogen,
waarmee je kinderen als levende pijlen worden weggeschoten.
De boogschutter ziet het doel op de weg van het oneindige
en buigt je met zijn kracht
opdat zijn pijlen snel en ver zullen vliegen.
Laat het gebogen worden door de hand van de boogschutter een vreugde voor je zijn:
want zoals hij de vliegende pijl liefheeft,
zo mint hij ook de boog die standvastig is.’