Kluun heeft een leuk stuk geschreven over katten, helaas staat het niet meer compleet op zijn website, dus post ik het hier:

Hakbijl

Dit wordt een dag waarop Kluun tientallen, zoniet honderden fans gaat verliezen. Veel vrouwen vooral. Ik ga u namelijk iets bekennen. Iets wat mij niet in dank zal worden afgenomen, maar ik vind dat u er recht op heeft om te weten wat er zoal in Kluun omgaat, al stoot ik daarmee mensen willens en wetens voor het hoofd. Daar gaat-ie: ik haat katten.

Zo. Dat is eruit. Kutbeesten vind ik het. Ze stinken, ze zeiken overal, ze krabben, ze luisteren niet en – sommige dingen dienen nou eenmaal gezegd te worden, it’s a dirty job but somebody’s gotta do it – ze hebben een hekel aan mannen. Ik zweer het u: katten haten mannen. Het tragische is dat ze dat zelf ook niet kunnen helpen, want het is aangeleerd gedrag.

Situatieschets. Boy meets girl. Verliefdzoenneukfijnsamen. Na een jaar wordt het minder. En nog minder. Verliefdzoenneukfijnsamenuit. Einde liefdesnest, meisje blijft alleen achter op tweehoog in grote stad. Eenzaam, verdriet, tissues. En dan komt er een kat als een uit de klauw gelopen chocoladereep, een verdrietdemper voor vergane liefdes (voor vrouwen dan, hàƒ¨, mannen gaan gewoon de kroeg in en zoeken een andere vrouw).

De kat weet niet wat hem overkomt. Lag hij tot voor kort samen met 24 broertjes en zusjes op een vierkante decimeter netjes te wachten tot een van de tepels van zijn moeder vrij was om even aan te lurken, nu wordt hij geknuffeld, krijgt blikjes zalmpasta, een plek in de slaapkamer, wordt behandeld als ware hij een Afrikaans meisje dat ooit bijna was doodgegaan van de honger en nu eindexamen in iets belangrijks had gedaan waardoor ze voor het oog van 200.000 applaudiserende, ontroerde mensen Madonna mocht bekken. Ja, dan zou ik ook kapsones krijgen. En zo geschiedt. De verwende kat wordt een egocentrische etterbak. Het beest begint dictator-achtige trekjes te vertonen. De kat rules da house.

Kluun ontmoette ooit een vrouw die na haar scheiding aan de kat was gegaan. Het hele huis stonk naar kat en ik zag het al toen ik binnenkwam: dit werd oorlog. ‘Dit is Midas,’ zei het meisje, alsof ze verwachtte dat ik het beest des huizes nu de hand zou schudden en mezelf zou voorstellen. Midas mocht mij niet, zag Kluun als een indringer (en terecht, daar kwam ik ook voor). Elke poging tot vozen op de bank werd door Midas tenietgedaan door zich tussen ons in te nestelen, gestimuleerd door een vertederd ‘Ah, kijk nou, wat lief, Midas is jaloers…’ van het baasje.

Onze prille relatie bereikte reeds op de ochtend na de eerste nacht een diepte- en eindpunt toen Midas, vanuit zijn (blijkbaar) vaste plek aan het voeteneinde van het tweepersoonsbed plots een bobbel in de vorm van Kluuns ochtenderectie onder het dekbed ontwaarde en volledig onverwacht de aanval inzette. Een IKEA-dekbed is niet bestand tegen de nagels van roofdieren. ‘Die typhuskat de slaapkamer uit of ik!’ schreeuwde Kluun. U raadt de afloop.

Niet lang na deze traumatische ervaring zag Kluun bij het schap met kattenvoer in de supermarkt twee dames druk met elkaar in conclaaf. ‘En wat zullen we voor het katje kopen?’ hoorde ik de een tegen de ander zeggen. ‘Wat dacht u van een hakbijl?’ mompelde Kluun.

KLUUN

PS: Als u mij nu niet meer lief vindt, dames, dan verwijs ik u voor uw dagelijkse webloggenoegens naar de site van Merel (rare naam voor een kattenliefhebster trouwens) of Maanisch (dat komt al meer in de richting) of willekeurig welke andere vrouwelijke weblogster, waar vrijwel dagelijks foto’s van poezen met een grappig hoedje of zonnebril of poezen in compromiterende poses op worden gezet

Zo… 🙂 Vereeuwigd, omdat ik het gewoon leuk omschreven vind!