ze zeiden: bouw een toren
tot aan de hemelpoort
laat niemand ervan horen
en spreek daarbij geen woord
de noten waren mijn stenen
de melodie was mijn cement
je bouwt tenslotte met datgene
waarmee je gezegend bent

priesters die me zagen
zegenden mijn werk
ik had niets te klagen
ze baden voor me in hun kerk
ik schreef in kalk: weet iemand
tot hoever ik moet gaan

rage kraaien
vlogen cirkels boven ons hoofd
je moet de leugen niet verdraaien
of je wordt niet meer geloofd

ik zweeg in alle talen
en bouwde immer voort
zou ik het kunnen halen
tot aan de hemelpoort?

mijn moeder schuifelde nader:
ik heb ervan gehoord
je wilt naar God de Vader
achter de hemelpoort
ik hoop dat het niet waar is
zoiets is te profaan
maar laat me weten als het klaar is
want alleen laat ik je niet gaan

ik metselde mijn muren
duizend stenen in het rond
het kon niet lang meer duren
tot ik in de wolken stond
mijn moeder kon ik niet meer horen
Paul Simon schudde ’t hoofd
ik dacht: je moet je niet laten storen
door wie niet in je gelooft

ik zweeg in alle talen
en bouwde immer voort
zou ik het kunnen halen
tot aan de hemelpoort?

de nacht begon te vallen
met sterren om me heen
de toren werd al smaller
want ik had te weinig steen
ik voelde dat ik niet verder kon
op dit godverlaten uur
beneden me lag Babylon
als glanzend zacht glazuur

ik besloot mijn werk te staken
het werd een hopeloos karwei
het had met godsvrucht iets te maken
maar er kwam nog wat anders bij
de toren hoefde niet vanaf de grond
tot de hemelpoort te reiken
maar ik wilde wel wanneer ik boven stond
nog naar beneden durven kijken

ik schreeuwde: ik ga ’t niet halen
maar ik werd niet gehoord
men zweeg in alle talen
beneden in het Land van Baäl
en achter de hemelpoort

Boudewijn de Groot – Hoogtevrees in Babylon